Verklarende woordenlijst

absolutie: het vergeven van een of meerdere zonden
Achatius: martelaar, aangeroepen tegen hoofdpijn
baertscherre: barbier
beenlingen: wijde kniekousen
Benedictijn: monnik van de orde der Benedictijnen
bilo: bij Lode, god van het vuur
brink: open plek voor het verzamelen van vee
burggraaf: iemand die door de landsheer is aangewezen om een bepaald gebied te besturen (ook: kastelein)
capertje: hoofddeksel
Christianitas: Europa
cnape: kerel
codex: vellen handgeschreven perkament tot boek genaaid (zie ook: handschrift)
cornucopia: hoorn des overvloeds
derde uur: terts, rond negen uur ’s ochtends
die viant: de duivel
dolhuis: gekkenhuis
dunnevangher: stroper op klein wild
echte wijff: echtgenote
eylaes: helaas
falie: (regen)mantel voor vrouwen
Felua: Veluwe
flagellanten: geselaars
Franciscaan: monnik van de orde der Franciscaners
getijden: gebedsuren
gezel: iemand die lid van een gilde is, maar die nog niet de rang van meester heeft
ghesel: vriend
goliardi: reizende studenten
Grote Dood: pest (ook: haestige siecte)
habijt: dagelijkse dracht van monniken (ook: pij)
haestige siecte: pest (ook: Grote Dood)
halsbreker: beul
handschrift: handgeschreven boek (zie ook: codex)
hanze: samenwerkingsverband van kooplieden
herenbrood: tarwebrood
hovetcleet: hoofddoek
humeuren: lichaamssappen
ijsheiligen: Mamertius, Pancratius, Servatius en Bonifacius (11 t/m 14 mei) ‘Het kan vriezen tot in mei, tot de ijsheiligen zijn voorbij.’
kalief: opvolger in wereldlijke zaken van de profeet Mohammed; hoofd van een kalifaat
karrenman: vuilnisman
kastelein: iemand die door de landsheer is aangewezen om een gebied te besturen (ook: burggraaf)
kelleluak kakortok: Groenlands voor narwal, een zeedier
kogge: middeleeuws vrachtschip
koggenstuerre: roerganger op een kogge
malachiet: edelsteen die, verpulverd, dient als grondstof voor verf
Meester Kackadoris: kwakzalver
melkmoes: brei van onder meer melk, bonen en spekvet
merseman: koopman
miniatuur: met de hand geschilderde afbeelding in een middeleeuws boek
novice: iemand die voor de intrede in het klooster een proeftijd doormaakt
perkament: speciaal bewerkte dierenhuid waarop kon worden geschreven
pestheren: dokters die pestlijders behandelen
pij: dagelijkse dracht van monniken (ook: habijt)
poorter: poortwachter
queeste: zoektocht naar een persoon of magisch voorwerp
refter: eetzaal in klooster
reliekschrijn/reliekkist: versierd kistje waarin heilige voorwerpen worden bewaard
relikwie: overblijfselen die voorwerp van religieuze verering zijn
rozenkrans: gebedssnoer
schipheer: schipper
scriptorium: plaats waar handschriften geschreven of gekopieerd worden
Sint-Antoniusvuur: ziekte veroorzaakt door het eten van meelkost met graanschimmel
Sint-Margriet: 13 juli
Sint-Vitus: martelaar, aangeroepen tegen epilepsie
slijkburgers: arme inwoners van de stad
snaveldokters: pestheren
soldeniers: huurlingen
tijns: belasting
tondel: droge, brandbare stof
tonsuur: kruinschering
trippen: houten zolen
tuniek: lang, los vest voor mannen
vlecke: gehucht
voghelaer: vogelvanger
voorde: doorwaadbare plaats
vuurslag: ijzeren staafje om, samen met vuursteen en tondel, vuur te maken
wapentuer: bewapend persoon
witte wieven: geesten van vrouwen of heksen
zwarte wilen: zwarte sluiers, deel van het habijt van de nonnen