Okke de Jong, ook bekend als de Taalchirurg, was matroos op de wilde vaart en soldaat in de Koninklijke Landmacht voordat hij de pen uit zijn ransel haalde en de wereld schrijvend te lijf ging. Hij schreef onder meer ‘Schipbreuk in Bengalen’, het verhaal van een zeventiende-eeuwse VOC-matroos. Okke is geïnspireerd door Jack Vance, Bruce Chatwin, Hemingway, George Orwell, J.M. Coetzee en Albert Sanchez Piñol. Okke is nu onder meer actief voor Ezzulia en de reden dat ik dit weet is omdat hij me zojuist heeft gesproken over ‘Relikwie van het kwaad’. Elk woord uit mijn mond komt in Pure Fantasy te staan, een tijdschrift (+website) van een dikke 150 pagina´s, dat elk kwartaal verschijnt. Sterker nog: hij heeft als eerste niet-Fonteiner (een Fonteiner is iemand die bij uitgeverij De Fontein werkt, zoals Joris van de Leur, Marita Dibrani of Maartje Beukers) het boek gelezen. Vanaf wit printerpapier weliswaar, maar toch.Het is flink wennen om aan de andere kant van de tafel te zitten en vragen over ‘Relikwie van het kwaad’ te krijgen. Overal moet je een antwoord op hebben. Op vragen zoals: wie hebben je geinspireerd, hoe of waar schrijf je, enzovoort. Eerlijk gezegd weet ik de antwoorden niet zo goed en moet ik ze bedenken terwijl ik praat. Het is ook nog eens lastig om het over mezelf en het boek te hebben. Gewoonlijk stel ik de vragen. Maar Okke: je bent een beste peer. Want eigenlijk geloof ik dat ook ik ooit geïnspireerd ben door in elk geval Jack Vance, Hemingway en Albert Sanchez Piñol. Van Jack Vance heb ik echt alles gelezen wat er te lezen valt. Ik vind het ook stoer dat je matroos was, want ooit wilde ik als kok aanmonsteren op de grote vaart en eens stond ik voor de poort van het Vreemdelingenlegioen in Marseille. Ik was zeventien of achttien en werd weggestuurd. Ze moesten me niet. Ik verheug me op de dag dat ik Okke interview over zijn nieuwe boek. Ik weet zeker dat hij er een aan het schrijven is, al is het in zijn hoofd. Zo iemand is Okke. Dat merk je als je aan de andere kant van de tafel zit.