Het visioen
Heel even is alles donker en stil. Zo donker en stil alsof de wereld nooit heeft bestaan. Maar dan overvalt hem een visioen, zó helder en scherp dat elke droom of werkelijkheid verbleekt.
Vier hengsten breken briesend door de struiken. Hun gestrekte voorbenen zweven door de lucht, gevolgd door hun machtige hoofden. Met het geluid van de rollende donder raken ze de grond. De dieren dragen zwarte kappen, alleen hun rollende ogen zijn te zien. Hun stomende ademhaling doet het doek wapperen. Vanaf hun schoft hangen donkere dekkleden tot op hun hoeven. Damp slaat als rook van hun lijven en vermengt zich met de mist. Het eerste dier is wit, het tweede is rood, het derde zwart en het vierde vaal. Hun ruiters dragen grauwe pijen. Lange zwaarden hangen aan hun zijde, kruisbogen op de rug. De voorste ruiter wijst, de andere knikken zwijgend. Ze trekken hun zwaarden, de avondzon blikkert als bloed op de kling. In een vliegende galop stormen ze op hem af…
Raaf spert zijn ogen wijd open. Verschrikt kijkt hij naar de hoorn. Heilige Maria, dit ding is behekst!
De kapel
Op de tast stapt Raaf de kapel binnen. Zodra hij over de drempel is, slaat hij een kruis. De regen raast als een snelstromende beek. Het licht van de bliksem vlamt door de vensters; een kort moment lijkt de kapel in brand te staan. Schaduwen van gebeeldhouwde heiligen maken zich los van de muur. Voorbij het midden van de kapel, waar de vloer met drie treden opstijgt naar het altaar, ligt te midden van stukgeslagen kisten het lichaam van een monnik.
Broeder Momme…
Het lichaam is tegen het altaar gezakt. De nek is onnatuurlijk geknikt, waardoor het gelaat onzichtbaar is. Het koord dat rond het middel van de monnik zat, is rond de hals geknoopt en zit in een scheur van het altaar geklemd. Naast het lichaam liggen versplinterde reliekkisten en een zwaard.
De bliksem vlamt.
Raaf springt achteruit.
Rijc God! De hand van broeder Momme ligt op een nest dode adders! De beesten kronkelen uit zijn maag, over zijn buik en in zijn hand. Dan beseft hij dat het geen slangen zijn. De buik van de monnik is opengereten en de darmen kruipen zijn lichaam uit. De andere hand ligt in een plas met bloed. De vingers wijzen naar het altaar. Weer vlamt de bliksem en een moment baadt de kapel in een gele gloed. Met bloed zijn vreemde tekens op het altaar geschreven. Raaf herkent halve en hele cirkels, en een teken dat lijkt op de ‘r’ in zijn naam.
De laatste boodschap van een stervende?