Galgenveld
Thomas ontdekt de galgen als eerste. Ze groeien uit de dode grond en aan hun takken hangen lijken. Herfstlijken zijn het, klaar om te vallen. Verderop staan de palen met de wagenwielen. Daarop liggen de lichamen die al van de galg zijn losgekomen. Als overrijpe palingen zijn hun halzen uit de strop gegleden, vlees en spieren zo week als slabbepap.
‘D-daar,’ wijst hij. Bij de wielen zien ze een halfronde muur met een driehoekige galg. Links daarvan, aan een eenzame paal, bungelt het lichaam dat ze zoeken: een lichaam met laarzen. Dikke raven vliegen lui krassend op vanaf het geknakte hoofd.
‘Ja, dat is ’m, dat moet ’m zijn,’ roept Hans veel te luid. Hij is boos omdat Thomas de galgen als eerste zag. Die zultkop, die halve Spanjool. ‘Kijk, die dief heeft z’n laarzen nog aan. Zijn poten stonken zeker te erg om ze uit te trekken.’ Hans lacht hard en horkerig.
Stapje voor stapje lopen ze dichterbij. Benauwd kijkt Thomas naar de donkere en drassige aarde. De arm van een moordenaar kan uit zijn graf groeien. Als je over zijn graf loopt, pakt hij je bij je enkel en sleurt hij je mee de grond in, weet hij.
Onder aan de galg staan ze stil; ze houden de adem in. Het is zover. Dit is waarvoor ze zijn gekomen. Thomas’ blik gaat langs de gebarsten laarzen, de gerafelde bruine broek, het gescheurde hemd en de kraag van de man aan de galg. Zijn gezicht is geelwit en mager, met wangen die elkaar aan de binnenkant bijna raken. Waar de ogen hadden moeten zitten, gapen donkere gaten. De mond hangt open. Tussen de grote tanden zit een rafelig deel van een blauwe tong.
‘Z-ze hebben ze opgevreten,’ fluistert hij. ‘Zijn ogen en tong, ze hebben ze opgevreten.’ Hij voelt zich misselijk, wil iets vastpakken, maar vlak voor hem bungelen alleen twee benen. Hans spuugt op de grond. ‘Nou, eet smakelijk dan. Het is maar waar je trek in hebt.’ De smidszoon doet een stap naar voren en slaat tegen een been. ‘Hé kijk, deze dooie kan dansen! Kom op zultkop, trek ’m de laarzen uit. Kijk of de schatkaart erin zit.’
De ontsnapping
Ineens klinkt van alle kanten een luid knallen. Een hagel van musketkogels scheurt de luifel boven zijn hoofd aan flarden. Aan weerszijden van het pad springen mannen met messen, bijlen en houwers tevoorschijn. Simón schreeuwt iets, laat zijn zweep klappen boven de hoofden van de paarden en de wagen schiet vooruit. Thomas valt achterover. Hij hoort een felle, droge tik. Op de plek waar net nog zijn hoofd was, is het hout versplinterd.
Simón ranselt de paarden, graait naar zijn helm en pakt zijn ponjaard. In paniek stormen de dieren vooruit, maar een wagen blokkeert het pad. Luid hinnikend steigeren ze hoog op hun achterbenen. De wagen schokt heen en weer en Simón valt van de bok.
Thomas werpt zich naar achteren, over het schot naar buiten. Het lichaam van een soldaat breekt zijn val en hij rolt onder de wagen. Hij worstelt met zijn armen en trekt aan de knoop. Hij schopt met zijn benen en zijn voeten komen vrij. Het lukt hem niet het touw rond zijn polsen los te krijgen. Ineens verstijft hij. Op nog geen neuslengte afstand staren twee verbaasde ogen hem aan. Dan draaien ze weg. Het hoofd knikt opzij en een Spaanse peerhelm rolt in de modder.
Uit de hals van de soldaat steekt een ponjaard. Thomas duwt zich zo snel hij kan naar achteren, weg van het lichaam. Hij kijkt om zich heen, maar kan geen kant op. Voorzichtig schuift hij weer naar voren en strekt langzaam zijn gebonden armen. Als hij het kleverige mes pakt en voelt hoe dit in het vlees vastzit, wil hij het uitschreeuwen. Maar hij knijpt zijn ogen dicht en trekt de ponjaard met een ruk uit de hals. Het mes komt met een zuigend geluid los. Hij kokhalst. Naar het gezicht durft hij niet meer te kijken. Het heft klemt hij tussen zijn knieën en liggend op zijn rug zaagt hij het touw door.
Als hij zich heeft bevrijd, draait hij zich om en duwt hij zich met zijn buik tegen de grond. Zover hij durft kruipt hij naar voren en hij gluurt van onder de wagen. Snel trekt hij zich terug. Vlakbij zijn hoofd slaan paardenhoeven in de grond, gevolgd door laarzen en klompen. Als ze voorbij zijn, schuift hij weer naar voren, nu nóg voorzichtiger. Het zijn maar een paar passen tot de sloot. In zijn hoofd begint hij te tellen.
Hij schiet overeind. Met de ponjaard in de hand rent hij gebukt het pad over, zo snel hij kan, naar de steile slootrand. Uit zijn ooghoeken ziet hij vechtende mannen. Hij springt en glijdt naar beneden. Tot zijn middel in het water waadt hij weg, wild peddelend met zijn handen. Boven hem klinkt het schreeuwen en schieten.
Als zijn armen moe zijn en zijn benen te slap om hem te dragen, kijkt hij achter zich. Van de vechtende mannen, de paarden en de wagens is niets meer te zien. Hij pakt de wortels van een boom en trekt zich op de oever. Hijgend valt hij voorover.
Hij is ontsnapt
Hekserij
De man met het zwarte puntbaardje kijkt op. ‘Malleus Maleficarum,’ spreekt hij en hij legt zijn hand op het boek voor hem, ‘De Heksenhamer.’ Hoewel hij zacht praat, galmt zijn stem door het gruwelgewelf. ‘Het is het boek van de demonologie, de duivelskunde. Hierin staat alles over heksen: wat ze doen en hoe je ze herkent. Hoe je ze ondervraagt, berecht en straft. Het onthult de kwade macht van de volgelingen van Baäl-Zebub, de afgod, de duivel.’
De man vouwt zijn handen samen.
‘Hekserij is een groot kwaad, mijn jongen, en het kwaad kent vele vormen. Sommige kwaden zien we van verre, andere zijn onzichtbaar al staan ze dicht bij ons. Soms schuilt het kwaad in onszelf en durven we het niet toe te geven. Soms zien we het in anderen en durven we het niet te zeggen. Het is moeilijk om de moed te vinden het kwaad te bestrijden, zeker hier, in het noorden. Libertijnen, adamisten, lutheranen, zwinglianen, anabaptisten, calvinisten… De mensen omhelzen hier elk ketters bijgeloof, zoals een hoer een rijkaard. We bestrijden de ketters en vergeten de heksen. In het land van de ketters is de heksenvervolging zelfs stopgezet en mag niemand, man noch vrouw, om zijn of haar geloof worden onderzocht. Toch moeten we het kwaad bij zijn duivelse staart grijpen, het kwaad van de vrouwen die zijn gemaakt uit de kromme rib, het kwaad van hun duivelsgebroed. Onder ons zijn valse profeten tegen wie Zijne Meest Katholieke Majesteit waarschuwt. Ze voorspelden een vreselijk jaar, een rampjaar, het einde van de wereld. Het regent bloed in Zweden en grote gieren zijn gezien in Frankrijk. De zon stond aan de hemel en had een zwaard tussen haar tanden. Het maakt het volk onrustig en opstandig.